Opinie: “6 op de 10 werklozen hebben migratieachtergrond. Slechte cijfers, maar wat met een arbeidsmarkt die iedere burger omarmt?”

“De cijfers zijn een wake-upcall, maar mogen niet leiden tot stigmatisering of simplistische beleidsmaatregelen”, schrijft Sophia Honggokoesoemo in dit opiniestuk. Zij is medewerker tewerkstelling bij LEVL, een organisatie die de belangen van personen met een migratieachtergrond behartigt. Aanleiding zijn de recente cijfers die uitwijzen dat 6 op de 10 werklozen een migratieachtergrond hebben. Hieronder legt ze uit waarom die cijfers nuance verdienen en roept ze op tot structurele maatregelen.
BRON: HLN
De positie van personen met een migratieachtergrond op de arbeidsmarkt is al vele decennia ongunstig. De etnische kloof blijft groot in vergelijking met andere Europese landen. Internationaal staat België bekend om zijn slechte tewerkstellingsprestaties van personen met een migratieachtergrond. Vele werkzoekenden met een migratieachtergrond zoeken wanhopig naar werk. Een antwoord krijgen op een sollicitatiebrief is al bijzonder. Zes op de tien werklozen hebben in ons land een migratieachtergrond. Die situatie werd eerder al gelinkt aan een lagere opleiding, weinig stimulans om te studeren bij meisjes en een ongelijke behandeling. Volgens mij is meer toelichting nodig en moet er gekeken worden naar nuances én duurzame oplossingen.
Weinig naar waarde geschat
De werkzaamheidsgraad in Europa ligt op 72%. In Vlaanderen ligt de algemene werkzaamheidsgraad hoger, rond 77%, en scoort zo bovengemiddeld. Toch is er een kloof van 15,6 procentpunten tussen personen hier geboren en personen geboren buiten de Europese Unie. Dat verschil is groot in vergelijking met andere Europese landen. Vanuit bepaalde hoeken wordt die kloof toegeschreven aan de instroom vanuit gezinshereniging, asielzoekers en erkende vluchtelingen, die niet lijken tegemoet te komen aan de nood aan hoogopgeleide en technische profielen op onze arbeidsmarkt.
Het OESO-rapport geeft aan dat de werkzaamheidkloof tussen in het buitenland geboren en in het land geboren mensen het meest uitgesproken is bij hoogopgeleiden.
Sophia Honggokoesoemo,
Medewerker tewerkstelling bij LEVL
Maar de kloof is opvallend nog groter bij hooggeschoolden. Het OESO-rapport van 2023 bevestigt dat en geeft aan dat de werkzaamheidskloof tussen in het buitenland geboren en in het land geboren mensen het meest uitgesproken is bij hoogopgeleiden. Zij zien hun kwalificaties grotendeels ondergewaardeerd, vooral hooggeschoolde vrouwen.
Veel hoogopgeleiden moeten ook bijzonder lang wachten op de erkenning van hun diploma. Het is een maat voor niets als we blijven hameren op scholing, maar de overheid en werkgevers geen kansen geven. Hoe langer afwezig van de arbeidsmarkt, hoe moeilijker het is om werk te vinden. De procedures voor de erkenning kunnen korter. In onze buurlanden gebeurt dat alvast. In België leiden de lange procedures tot teleurstelling en velen werken ver onder hun niveau. Competenties worden zo verspild. En de teleurstelling is groot.
Hoog-, midden- en kortopgeleiden worden nog te vaak gelijk behandeld als personen zonder werkervaring of studies. Velen werken via interim contracten, korte contracten, onzekere jobs met weinig doorgroeimogelijkheden. Personen met en zonder migratieachtergrond in deze situatie vervallen in (tijdelijke) uitkeringen en tijdelijke jobs. Voor veel lager geschoolde profielen kan werk worden gemaakt door leren en opleiden. Maar Vlaanderen blijft vasthangen aan een diplomacultuur in vergelijking met andere Europese landen. Op die manier bepaalt je startpositie nog te veel je verdere loopbaan. Zeker voor zij die kort opgeleid zijn.
Dat vrouwen met een migratieachtergrond minder werken, wordt nog te vaak toegeschreven aan cultuur, religie of rolpatronen.
Sophia Honggokoesoemo,
Medewerker tewerkstelling bij LEVL
Ook blijkt de werkzaamheidsgraad bij vrouwen die niet van de Europese Unie zijn, bijzonder laag. Zeker bij de lager geschoolde profielen. Hier moeten we afstappen van culturalisering, een fenomeen waarbij achterstelling van groepen, zoals vrouwen met een migratieachtergrond, nog te snel en te eenzijdig worden toegeschreven aan hun cultuur, religie of traditionele rolpatronen. Dit leidt tot een versmalling van uitdagingen en het relativeren van andere, vaak structurele of contextuele factoren. Er is voor velen vooral nood aan betaalbare en toegankelijke kinderopvang, aan geschikte en kwaliteitsvolle jobs en een goede match tussen hun profiel en de job met aandacht voor de combinatie gezin en werk.
Onderwijs als hefboom
Een lagere opleiding hoeft niet nefast te zijn. We zien dat het problematisch wordt als sociale mobiliteit wordt tegengewerkt, ook voor de volgende generatie. Onderwijs moet een hefboom zijn. Ouders met een migratieachtergrond koesteren vaak hoge onderwijsambities voor hun kinderen, wat een positieve invloed heeft op hun studiekeuze. Die ambities komen echter onder druk te staan wanneer het schooladvies deze verwachtingen niet ondersteunt.
Meisjes met een migratieachtergrond hebben volgens onderzoek bijvoorbeeld ook opvallend vaker STEM-aspiraties dan meisjes zonder migratieachtergrond, maar dat is niet altijd terug te zien in hun uiteindelijke studiekeuzes. Subtiele of directe ontmoediging kan voortkomen uit lagere verwachtingen van hun school. Een verbod op levensbeschouwelijke tekens op school – zoals een hoofddoek – leidt bovendien tot demotivatie bij veel meisjes, zowel in de klas als in hun verdere loopbaan.
Op basis van de PISA-onderzoeken zijn er een aantal landen waar migrantenkinderen van de tweede generatie het even goed of zelfs beter doen dan kinderen zonder migratieachtergrond. In België niet. De link met de arbeidsmarkt wordt al snel gemaakt. Een recent onderzoek van de KU Leuven toont aan dat het waarderen van herkomst en diversiteit op school de kans vergroot dat leerlingen in diverse scholen bovengemiddeld of zelfs uitstekend presteren.
Het blijft verontrustend dat ongelijke behandeling ondanks het vele bewijs- en onderzoeksmateriaal zonder veel gevolg blijft gebeuren.
Sophia Honggokoesoemo,
Medewerker tewerkstelling bij LEVL
Aandacht voor een antiracistisch schoolcurriculum, met erkenning en appreciatie van de eigenheid van leerlingen, levert daarbij een belangrijke bijdrage. We kunnen kinderen en gezinnen optimaal en kwaliteitsvol steunen: door de erkenning van de eigen herkomst en levensbeschouwing, door het verbod op levensbeschouwelijke tekens op te heffen, door te werken aan meer diversiteit binnen het onderwijspersoneel, door racistische uitingen op school weg te werken, door buddysystemen op te zetten en door ouders evenwaardig te betrekken.
Racisme en discriminatie aanpakken
Personen met een migratieachtergrond ervaren ongelijke behandeling op basis van herkomst. Het blijft verontrustend dat ongelijke behandeling ondanks het vele bewijs- en onderzoeksmateriaal zonder veel gevolg blijft gebeuren. België heeft uitgebreide antiracisme- en antidiscriminatiewetten. Op papier kunnen we spreken van een sterke wetgeving. In de praktijk zien we een probleem met de handhaving ervan. Veroordelingen zijn schaars in verhouding tot het aantal overtredingen. De antidiscriminatiewetten kunnen effectiever, adequater en beter afdwingbaar ingezet worden, zodat racisme en discriminatie serieus worden genomen als strafbaar feit en ze niet ongestraft blijven.
Structurele oplossingen
De cijfers zijn een wake-upcall, maar mogen niet leiden tot stigmatisering of simplistische beleidsmaatregelen. Ik wil daarom enkele oplossingen naar voren schuiven: snellere procedures van een diploma-erkenning, investeringen in gelijke kansen en uitkomsten in het onderwijs, effectieve antidiscriminatiewetgeving en handhaving, positieve acties en monitoring van werkgeverspraktijken.
Zo kunnen we de etnische kloof op de arbeidsmarkt duurzaam dichten met aandacht voor het wegwerken van uitsluitingsmechanismen en door in te zetten op competenties en deskundigheid, groeipotentieel en sociale mobiliteit. We hebben hiervoor de mensen zelf, de overheid, werkgevers en vakbonden samen rond de tafel nodig.